Logo Utrecht University

Philosophy of the Arts

Filosofie (nl.)

Waar de geest dan wel is

Swaab en mainstream neurofysiologisch ingestelde gamma-wetenschappen dwingen ons een antwoord in de verkeerde hoek te zoeken. Met “ons” bedoel ik mensen.
Zij beweren dat de geest niets meer is dan de hersenen, dus gaan “wij” uitwegen zoeken uit dat reductionisme door te zeggen dat de geest meer is dan de hersenen, of zo. En door ons af te vragen wat de rol van de rest van het lichaam is.

Ik denk dat we de geest in onszelf hebben gezocht vanwege de perspectiviteit van de waarneming. Natuurlijk: iedereen neemt de werkelijkheid waar vanuit dit lichaam hier en dus moet de geest ook wel ergens hier zijn; en, omdat we hier niets kunnen aanwijzen wat “de geest” is, maar we wel de meest overtuigende kandidaat, de hersenen (die inderdaad zonder enige twijfel een noodzakelijke voorwaarde vormen voor al wat we geestelijk zouden kunnen/moeten noemen) kunnen onderzoeken, en grondig ook!, komen we tot het idee dat de geest de hersenen zijn. Tot zover de stand van zaken.

Geest in de werkelijkheid

Maar is geest niet ook de betekenissen die we om ons heen waarnemen? Als ik een stoel zie als iets om op te zitten, is dat dan louter een projectie van mijn geest, of is het feit dat die stoel mijn waarneming, en mijn erop zitten dat daar soms op volgt, faciliteert, geen bewijs dat ze die betekenis die ik er waarneem ook zelf al draagt? Mijn hypothese: we moeten de geest in de werkelijkheid zoeken. En dat onze waarneming hem oppikt, betekent slechts dat wij erop afgestemd zijn.

Kants “subjectieve doelmatigheid”

Kant noemt schoonheid ook wel subjectieve doelmatigheid: het gevoel dat het mooie object voor ons kennen gemaakt lijkt te zijn — zonder dat dit ons tot een kennisoordeel verleidt. We zeggen niet “aha, een stoel” (een kennisoordeel), maar “dat is een mooie stoel (tulp, boom, mens, kunstwerk, enz.)”.

Overigens denk ik hierbij ook aan J.J. Gibsons term “affordances”, maar dan wel in mijn interpretatie—of Gibson het precies zo bedoelde is een andere vraag—en aan Bergsons prachtige analyse van waarneming en herinnering, waar ik me momenteel in verdiep.

Onze grootste fout is, denk ik, dat we de waarneming al eeuwen begrijpen als iets wat in ons gebeurt. Maar dat kan toch onmogelijk kloppen, als minstens de helft van de waarneming (nl. het waargenomene) zich buiten ons bevindt, wel?

– Bergson, Henri. 1990. Matter and Memory. Translated by N. M. Paul and W. S. Palmer. Zone.
– Gibson, J.J. 1986. The Ecological Approach to Visual Perception. London, Hillsdale, N.J.: Lawrence Erlbaum Associates.
– Kant, Immanuel. 1974. Kritik der Urteilskraft. Frankfurt am Main: Suhrkamp (A-first edition: Berlin, Libau 1790; B-second edition: Berlin, 1793).