Logo Utrecht University

Philosophy of the Arts

Baumgarten

Nog naar aanleiding van Baumgarten

De manier waarop de rationalisten de werkelijkheid benaderen, maakt dat men die deductief kan begrijpen. Eerst was er de aanname dat de wereld logisch in elkaar zit en toen kwam de monadologie. [Een dergelijke identificatie van semantische werkelijkheid (hoe mensen de wereld begrijpen) met logische relaties tussen objectieve gegevens (alleen gaat het nu om neurofysiologische processen) treffen we ook aan in de Tractatus van Wittgenstein en bij Susanne Langer.] Wie verder wil lezen over hedendaagse benaderingen van het fenomenale (hoe het is om iets te ervaren), kan terecht bij Thomas Nagel, “What is it like to be a bat”, McDowell, en passages in Wittgenstein’s Philosophical Investigations over aspect waarneming (de duck-rabbit).

Leibniz maakt de fout eigenschappen van de werkelijkheid te identificeren met (eigenschappen van) de ideeën die we erover hebben. Door de kennis die we via een waarneming verkrijgen te ‘intensiveren’ wordt evenwel een begrippelijke structuur opgelegd aan de rijkdom van wat er via onze zintuigen ‘binnen’ komt, zo Baumgarten.
Baumgarten is er niet op uit de zintuigen te perfectioneren, maar de waarneming: niet de ogen, maar wat die zien. Deze esthetica heeft niet als doel onze waarneming aan te vullen (ze gaat niet over microscopen en andere handige hulpmiddelen). Ze leert ons eerder wat waarneming überhaupt is, wat haar belang is voor onze intermenselijke verhoudingen en hoe kunst zich ertoe verhoudt.
Zinnen waarin wij onze kennis uitdrukken verhouden zich tot elkaar volgens logische principes: ze impliceren of negeren elkaar. Onze extensief heldere waarnemingen worden volgens andere principes gereguleerd: die van de associatie. We zien dit terug in poëzie, meer misschien dan in enige andere kunstvorm.

Een definitie?

Het punt met Baumgarten’s voorstel om schoonheid (van kunstwerken) te begrijpen als vervolmaakte zintuiglijke kennis past schijnbaar goed op de voorbeelden die ik op college liet zien, de vazen van Marieke van Diemen, de film van Straub en Huillet, maar het is zeer de vraag of het voor alle kunstwerken geldt, of zelfs maar voor alle kunstvormen.
Een performance, bij voorbeeld, waarbij de kunstenaar zich met elastieken om het middel van een muur tot het midden van de kamer beweegt om daar haar partner een zoen te geven, totdat de pijn van de elastieken hen te erg wordt (Ulay en Abramowicz); goudvissen in een blender (Evaristti); een dichtgegooide kuil achter het Metropolitan Art Museum in New York (Claes Oldenburgh)—wat hebben die met de vervolmaking van onze zintuiglijkheid te maken?
En omgekeerd: is niet ook een boom die ritselt in de wind iets wat onze perceptuele aandacht zodanig opeist dat het volgens Baumgartens voorstel een kunstwerk wordt? Ofwel: is er iets tegen het voorstel in te brengen, is het te falsifiëren? Welke waarneming valt er niet onder?

Wat Baumgarten bespreekt is geen definitie van kunst: het sluit kunstwerken uit en teveel niet-kunstwerken in. Wel heeft hij laten zien dat zintuiglijkheid in zichzelf de moeite waard is.

— McDowell, John. 1998. “The content of perceptual experience.” In Mind, Value, & Reality, 341-58. Cambridge, Mass and London, England: Harvard University Press.
— Nagel, Thomas. 1979. “What is it like to be a bat?” In Mortal Questions, 165-80. Cambridge, New York: Cambridge University Press.
–Wittgenstein, Ludwig. 1922. Tractatus Logico-Philosophicus. Translated by C. K. Odgen (with assistance from G. E. Moore, F. P. Ramsey, and Wittgenstein). London: Routledge & Kegan Paul.
_________________. 1953. Philosophical Investigations. Translated by G. E. M. Anscombe. Oxford: Blackwell.

You must be logged in to post a comment.