Logo Utrecht University

Philosophy of the Arts

Filosofie van de kunsten (esthetica)

Kants Objectmodel van Natuurschoonheid

Aan het einde van de “Analytik des Schönen”, in een “Allgemeine Anmerkung”, onderscheidt Kant mooie dingen van mooie uitzichten met het argument (in mijn verwoording) dat mooie uitzichten alleen op empirische gronden mooi genoemd worden, louter omdat ze het vrije spel van de verbeelding aan de gang houden. Ze doen dat echter niet vanwege de subjectieve doelmatigheid van het object, maar omdat zulke uitzichten onprecies zijn en daardoor de verbeelding in een soort dichterlijke toestand brengen.
Dat gebeurt ook bij haardvuur of kabbelende beekjes, die evenmin schoonheden zijn maar de verbeelding niettemin opwinden omdat ze het vrije spel onderhouden.

Commentaar

Ik heb betoogd (in 2011) dat Kants schoonheids-voorbeelden te eenzijdig over objecten gaan: de tulp is Kants favoriet om de doelmatigheid zonder doel van schoonheid te illustreren; maar dat er in de natuur vaker sprake is van een gebeurtenis, die in de omgeving van de natuur ervaren wordt.

Het omgevingsmodel van Carlson

Ik beroep me daarbij onder meer op Alan Carlson (1979) die betoogde dat we de verkeerde modellen hanteren om over natuurschoonheid te denken: het objectmodel beschouwt natuurschoonheid tezeer in termen van de mooie dingen die we uit het bos mee naar huis nemen en op de schoorsteenmantel zetten, mooie stenen en zo. Het probleem daarmee is dat we het mooie dan uit zijn eigenlijke context isoleren. Het landschapsmodel is gemodelleerd naar het landschapsschilderij—dat soort schoonheid vinden we als we naar een uitkijkpunt worden geloodsd vanwaar we een zogenaamd mooi overzicht over het landschap krijgen. Dit model plaatst de kijker op een afstand en buiten de mooie natuur. (Denk aan de centrale perspectief die de kijker ook buiten de afgebeelde werkelijkheid plaatst, op een vast punt). Carlson stelt daarom een omgevingsmodel voor waarbij het subject zich in de natuur bevindt en beweegt en door de natuurschoonheid omgeven wordt.
Ik geloof dat Carlson een rijker model geeft voor natuurschoonheid dan de andere twee modellen.

Een dik model van natuurschoonheid

…we voelen hoe de omgeving als geheel subjectief doelmatig is voor het subjectals belichaamd waarnemer…

Ik denk dat Kant vooral een objectmodel hanteert (en het landschapsmodel wellicht reserveert voor wat hij de ervaring van verhevenheid noemt—maar daar moet ik nog eens over nadenken). In het licht, nu, van het haardvuur-argument, wil ik daar het volgende over zeggen. Kants argument dat iets soms alleen maar mooi lijkt maar het niet is—omdat het onze verbeelding alleen maar door zijn onduidelijkheid bezig houdt, is volgens mij goed te verdedigen. Ik weet alleen niet of het noodzakelijk op al onze vergezichten van toepassing is waarbij we de dingen in hun concreetheid niet goed kunnen ontwaren.
Het omgevingsmodel appelleert als het ware aan een ander moment in onze waarneming: we voelen hoe de omgeving als geheel subjectief doelmatig is (om bij Kants terminologie te blijven) voor het subject als belichaamd waarnemer. Natuurschoonheid, zoals begrepen door het omgevingsmodel, impliceert de kijker in de scene als een belichaamd waarnemer, een handelende actor die door om zich heen te kijken en de dingen te horen, zien, ruiken, en betasten de omgeving als subjectief doelmatig kan ervaren. Als men, in de tuin achter, een vlucht ganzen in de verte hoort aankomen, de lucht in kijkt en ze zoekt, en vindt—die langgerekte V—dan is de esthetische bewondering daarvoor evengoed precies, ook al gaat het ons nietom de individuele schoonheid van een of andere specifieke gans die in de trek meevliegt. Beoordelen we dan niet esthetisch een gebeurtenis, eerder dan een object? En kan zoiets niet ook met haardvuur? Tja, we moeten niet het vuur in staren en er met onze verbeelding op los gaan fantaseren, maar dat is ook werkelijk iets anders.

Dik?

Ik noem deze benadering dik omdat ze de mens als handelend actor betreft.
Gilbert Ryle introduceerde dikke beschrijving als een beschrijving van lichaamsbewegingen die ook alle werkelijke betekenissen daarvan involveert. Een knipperend oog kan bij voorbeeld ook een knip-oog zijn, of een ironisch commentaar op iemand die een tik aan zijn oog heeft. Een dunne beschrijving zal het met een beschrijving voor alle drie deze varianten doen. Een dikke maakt de nodige onderscheiden.
Bernard Williams (1985) onderscheidde dikke van dunne concepten op basis van het opdoemen van een reden tot handelen: “If a concept of this kind applies, this often provides someone with a reason to act, though that reason need not be a decisive one and may be outweighed by other reasons […]” (140).

uit: Allgemeine Anmerkung zum ersten Abschnitte der Analytik

[…]
Noch sind schöne Gegenstände von schönen Aussichten auf Gegenstände (die öfter der Entfernung wegen nicht mehr deutlich erkannt werden können) zu unterscheiden. In den letztern scheint der Geschmack nicht sowohl an dem, was die Einbildungskraft in diesem Felde auffaßt, als vielmehr an dem, was sie hiebei zu dichten Anlaß bekommt, d.i. an den eigentlichen Phantasien, womit sich das Gemüt unterhält, indessen daß es durch die Mannigfaltigkeit, auf die das Auge stößt, kontinuierlich erweckt wird, zu haften; so wie etwa bei dem Anblick der veränderlichen Gestalten eines Kaminfeuers, oder eines rieselnden Baches, welche beide keine Schönheiten sind, aber doch für die Einbildungskraft einen Reiz bei sich führen, weil sie ihr freies Spiel unterhalten.

— Carlson, Allen. 1979. “Appreciation and the Natural Environment.” Journal of Aesthetics and Art Criticism 37:267–275.

— Kant, Immanuel. 1974. Kritik der Urteilskraft. Frankfurt am Main: Suhrkamp (A-first edition: Berlin, Libau 1790; B-second edition: Berlin, 1793). online

van Gerwen, Rob. 2011. “Mathematical Beauty and Perceptual Presence.” Philosophical Investigations, vol. 34:3 (In Press).

Williams, Bernard. 1985. Ethics and the Limits of Philosophy. London: Fontana Press.